Ik was mijn kast aan het opruimen. Plank voor plank maakte ik leeg.
Wat niet meer nodig is, kan weg. Mijn kast was leeg, net zo leeg als mijn hoofd.
Als vanzelf ging ik door.  Buiten was het ook niet veel beter, dikke regendruppels langs de ramen. Daar schiet ik ook al niet veel mee op.
Mijn humeur kelderde net zoals de regen, naar beneden. Dat heb je met zwaartekracht.

Gisteren was je zo dichtbij. Het leek allemaal zo goed. Ik maakte mij geen zorgen. Mijn optimistische humeur, mijn goede grapjes, mijn gastvrije gevoel naar jou toe. Alles leek goed. Tot je voor mij stond.
Ik zag aan je ogen dat het niet goed was.
In mij zakte een ijsklontje spuug naar beneden. Ik wil het niet horen.
Ik wil het wel horen. Niet . Wel. Niet. Wel.
‘Koffie?’. Ik bazelde wat over een paar tompoezen die ik had gehaald.
Kop in het zand of in de koelkast. Waar waren die klere tompoezen?
‘Nee’ zei je. Ik luisterde niet. Ik gleed ze uit de doos op een bordje. 
Het schoteltje zakte scheef toen je afwerend weigerde.
De zwaartekracht zorgde voor de rest.

‘Ik wil niet verder met je. Ik heb het aangekeken. Ik geef niet genoeg om je’.
Ijsklontjes en koffie is geen goede combinatie. ‘Ik geef wel om jou, heel veel.
Kunnen we er nog wat aan doen? We hebben toch…toch….’.
Geen idee meer wat ik zei. De toon was gezet. Mijn leven was in puin.

Mijn lijf moest opruimen. Mijn mind is in verzet. Ik wil het niet voelen.
Ik ben afgestorven. Alles verloren. Toen ging de bel. Het was één of andere verkoper van iets vaags. Ik ontwaakte dat moment en hoorde mijzelf zeggen: ‘Ik heb geen interesse in uw product. U mag niet weten hoe ik heet. U mag niets, niets van mij’. Ik voelde iets ontwaken in mij. Ik ben niet de persoon die mijn waardigheid laat zakken, ondanks de zwaartekracht.  
Mijn waardigheid kwam terug.
Ik besta nog. Ik besta nog. Ik besta nog!  NA alles besta ik nog. In een snel tempo overzag ik wat er was: Ik voelde mij gekwetst, niet de moeite waard. Dat voelde ik in mijzelf. Het was een gevoel, een gevoel  van een ander.
Dat heeft niet met mij te maken. Ik liet mij beïnvloeden en verdriet vulde mij.
Ik had de toekomst mij anders voorgesteld.
Ik was teleurgesteld, gekwetst, boos misschien, alles.

Ineens zag ik de werkelijkheid. Mijn gezicht klaarde op. De verkoper droop weg,
in de regen die nog steeds neerstortte. Ik pakte mijzelf weer op.
Vervolgde mijn opruimdrift en neuriede mee met de muziek.
‘I will survive.’