Behulpzaam deed ik mijn uiterste best om de situatie te redden. Iedereen lag overhoop met elkaar en praatte door elkaar heen. Omdat ik een hooggevoelig brein heb, had ik gelijk gezien wat voor puinhoop het hier was. Voor ik mij bewust was, wat ik deed, deed ik het al. Ik hielp de vaat opruimen, scherven vegen, en ik hielp de brokstukken lijmen. Ik haalde een glas water voor haar en stelde haar gerust. Ik voelde niet dat ik over mijn grenzen ging. Ik zat in mijn’ doen’, in de actie. Ondertussen stuurde ik iedereen weg. Huilend zat ze op een krukje. Het was haar allemaal te veel geweest. Ik deed wat ik altijd, pleasen en troosten, haar wonden stelpen en haar zorgen dragen. Dat was ik zo gewend. Het leek geen moeite te kosten.

Vanaf mijn jeugd ben ik gewend aan zorgen, in de gaten houden of iedereen zich goed voelde, geen aandacht trekken, lief zijn, zoet zijn. Eigenlijk een domme rol: ik danste naar de pijpen van iedereen, omdat ik bang was dat het mis zou gaan. Als het mis ging, waren de rapen gaar. Ik voelde me verantwoordelijk voor de situatie. Had niemand mij kunnen vertellen, dat IK niet verantwoordelijkheid ben voor alles. Ik stond dus klaar om te redden, te schikken en te harmoniseren. Een duidelijke rol. Eén die je niet kwijt raakt. Een rol waardoor mensen misbruik van je kunnen maken. Een rol als assepoester. Bang voor de ruzie, bang om afgewezen te worden. Ik slikte alles voor zoete koek.

Telkens nam ik mij voor, hiermee te stoppen. Sommigen zeggen: het is een kwaliteit….ja ja,de vraag is… voor wie? Niet voor mezelf. Ik voel dingen goed aan, niet omdat ik helderziend ben, maar omdat ik goed oplet, op signalen, op bijzonderheden, op gezichtsuitdrukkingen. Zodat ik kan inschatten wat er kan gaan gebeuren.

Please gedrag is een overlevingsgedrag. Als je pleast lijkt het alsof je verder komt en heb je meer kans op de liefde van je ouders. Dat zet je goed vast in je brein en vervolgens geloof je dat.

Met het lijmpistool probeerde ik de moeilijke potjes in elkaar te zetten, met zorgvuldigheid. Ik kwam in een bepaalde trance terecht. Ik steeg even uit mijzelf. Ik was even niet aanwezig in het NU. Ik zat in TOEN.

Plots: de kamer zat vol. Iedereen keek naar mij. De koffie was op, de kopjes waren nog heel, de ruzie was nog niet voelbaar. De ogen waren nog droog. ‘Waar is de taart?’ Verwachtingsvol keek men naar mij. Was dit een droom? Ik dacht dat ik het uitschreeuwde: Nee, ik doe het niet meer. Nooit meer. Ik ben jullie slaafje niet. En dat was ik dus wel. Ik zei in het echt: ‘Ja, dat klopt, de koffie is op en de taart heb ik niet gebakken’. En dit is het begin. En overal is steeds weer een begin.

Susan Veenstra