Daar sta ik: langs de kant van de weg te wachten op jou. Je komt niet.
Er komen legio gedachten in me op voor de reden. Ik houd mijn teleurstelling zo op afstand, of misschien duw ik het verdriet dat er achter zit wel weg. Deze gevoelens van teleurstelling geven onzekerheid dus ik zoek in mijn mind naar redenen.
Logische zaken als lekke band of een fout in mijn agenda. Ik wil het niet persoonlijk maken en ik doe het wel. Ik wil niet dat het aan mij ligt. Dat je mij de moeite niet waard vind om af te bellen. Ik wacht een half uur en dan ga ik. Ik voel…nee…ik denk…ik fiets.

Of

Daar sta ik te wachten. Je komt niet. Ik zoek een bankje en pak mijn notitieboekje
en schrijf wat losse flodders. Ik kijk om me heen naar de volheid van de tulpen of naar de witte wolken. Ik weet niet wat er fout gegaan is met de afspraak, maar je bent niet gekomen. Na een half uurtje vind ik het welletjes. Paar flutgedichten geschreven. Foto’s gemaakt van tulpen, waar ik er al tientallen van heb.
Ik fiets naar huis en bel je.

Of

Natuurlijk ben ik een half uur te vroeg. Dus ik sta al een half uur aan mijn fiets
te prutsen. Wachten kan ik niet daarom ben ik altijd te vroeg. Ik raak geïrriteerd
over mezelf. Ik tel de minuten af en bedenk waar we heen zouden gaan.
Stipt om 14.00 uur ben ik het wachten al helemaal zat. Onrust giert door mij heen.
Na half drie ben ik er klaar mee en fiets razend naar huis. Zo boos op jou.
Ik app je: razend.

In welk scenario wil je liever zitten? Kies zelf. Ik zal het niet invullen voor je. Kies maar! Met welke intentie ga jij naar de volgende afspraak?

Je weet niet wat erachter zit. Je weet het echt niet. Mijn vriend had een reden
om niet te komen. Hij deed het niet expres, van de trap struikelen. Ik breng
hem nu maar een pannetje soep op de fiets en ook met dit scenario kan van alles misgaan….

Of niet.

Susan Veenstra